De Molenbiotoop Een maalvaardige (gerestaureerde) molen en
een enthousiaste molenaar alleen zijn niet voldoende om een molen
te laten functioneren. Het werktuig stelt ook eisen aan zijn omgeving:
er moet wind zijn om de wieken in beweging te kunnen zetten (of
water om het waterrad rond te laten gaan). In 1973 werd om dit omgevingselement
aan te duiden het begrip 'molenbiotoop' geïntroduceerd. De
molenbiotoop heeft betrekking op de hele omgeving van een molen,
voor zover die van invloed is op het functioneren van die molen
als maalwerktuig én als monument. Naast windvang dient dan
ook te worden gelet op de belevingswaarde van de molen. Gebouwen
en bomen kunnen de molenbiotoop aantasten. Bomen en boomgroepen
veroorzaken een extra nadeel voor de windvang, omdat zij met hun
bladerkroon de wind enige tijd vasthouden, waardoor er grotere turbulentie
optreedt en de wind met grotere kracht en met vlagen op de molen
afkomt. Molenaars vrezen dit 'hollen en stilstaan' verschijnsel.
Belevingswaarde
Een tweede aspect van de molenbiotoop heeft te maken met de belevingswaarde.
Molens zijn een belangrijk element in het landschap en hebben vaak
te maken met de ontstaansgeschiedenis van dat landschap. Omdat molens
wind moesten kunnen vangen, stonden ze in een open landschap of
staken ze in ieder geval uit boven hun omgeving. Die voor molens
kenmerkende situatie moet zoveel mogelijk worden bewaard, willen
de werktuigen volledig tot hun recht komen. Met andere woorden:
molens horen in het zicht te staan. Als dat het geval is blijken
molens zeer belangrijke herkenningspunten in een gebied te zijn.
De 1:100 regel
In 1946 zijn voor de biotoop praktijknormen vastgelegd in de zogenaamde
1:100-regel. Deze regel houdt in dat elke 100 meter verder van de
molen een obstakel 1 meter hoger mag zijn; de eerste 100 meter moet
wel vrij blijven. Voorbeeld: Een boerderij in het open landschap,
met een nokhoogte van 10 meter dient dus op een afstand van een
kilometer van de molen te worden gebouwd en niet dichterbij.
Nieuwe normen
Omdat de 1:100 regel in de bebouwde omgeving niet langer toepasbaar
bleek, zijn door De Hollandsche Molen in 1982 nieuwe normen ontwikkeld.
Deze zijn vastgelegd in het rapport 'De inrichting van de omgeving
van molens, rapport van de werkgroep Molenbiotoop van de Hollandsche
Molen, vereniging tot behoud van molens in Nederland'. Daarin staat
aangegeven op welke manier met de molen rekening kan worden gehouden.
Formule
Volgens een bepaalde formule is te berekenen hoe de obstakelhoogte
zich verhoudt tot de afstand van de molen. Anders gezegd, hoe hoog
een bepaald obstakel mag zijn op een bepaalde afstand van een molen
zonder teveel windbelemmering te veroorzaken. Voor de formule verwijzen
wij u naar de biotoopformule.
Vermogen en windsnelheid
De relatie tussen het vermogen van de molen en de windsnelheid komt
in bijgaande grafiek tot uiting. Bij de bepaling van deze relatie
worden ook de andere belangen meegewogen. De basis van de berekening
wordt dan ook gevormd door een compromis. Deze bestaat eruit dat
wordt aangenomen dat de op te richten obstakels een windsnelheidsreductie
tot gevolg hebben van 5%. Op grond daarvan worden de berekeningen
uitgevoerd. Dit betekent dat het vermogen van de molen met 14% wordt
gereduceerd. In dit geval kan de molen nog wel datgene doen waarvoor
hij werd gebouwd. Naarmate de windsnelheid meer vermindert dan de
genoemde 5% wordt het onwaarschijnlijker dat de molen nog kan functioneren.
Om deze reden is dit percentage het maximaal toelaatbare.
Classificatie
Begin jaren negentig werd de omgeving van elke molen op grond van
biotooptechnische criteria geïnventariseerd. Met behulp van
een eenvoudig cijfersysteem is de molenomgeving als volgt geclassificeerd.
1 = slecht:
- bijna geheel (360º) ingebouwd
of ingegroeid;
- bomen dicht bij de molen of halverwege de kap en hoger;
- de molen midden in een nieuwbouwwijk (bv. in gazon of hertenkamp)
- oorspronkelijke omgeving geheel verloren, een 'tuinkabouter'.
2 = bedenkelijk:
- grotendeels (270º) ingebouwd
of ingegroeid;
- te veel en te hoge bebouwing rond de molen of te veel bomen;
- slechts uit één bepaalde windrichting kan de
molen nog draaien.
3 = matig:
- halverwege (180º) ingebouwd
of ingegroeid;
- de molen kan nog werken maar bv. vanaf 100 meter te veel obstakels;
- zeilslag en onregelmatig lopen van de molen.
4 = aanvaardbaar:
- hinderlijke belemmeringen
op bepaalde plaatsen (over 90º);
- jammer van dat bosje zo dicht bij de molen, of die rij huizen
op 100 meter;
5 = goed:
- de molen staat rondom
vrij;
- hier werd en wordt met de molen rekening gehouden;
- kan vanuit alle windrichtingen malen, staat vrij in het veld
of, bij een stadsmolen, hoog boven de omgeving.
Meer informatie over de molenbiotoop is te vinden in de volgende
publicaties van vereniging De Hollandsche Molen:
- De inrichting van de omgeving van molens (1982);
- Ruimte voor Molens, een onderzoek naar de inrichting van de omgeving
van molens (1995);
- Handleiding Molenbiotoop, de inrichting van de molenomgeving (1995).
U kunt deze publicaties bestellen
bij de winkel van Vereniging De Hollandsche Molen.