Veel gestelde vragen

Molens. Het historische werktuig dat Nederland mede groot heeft gemaakt blijft menigeen tot de verbeelding spreken. Dat is onder meer te merken aan de vele mensen die contact opnemen met het bureau van de vereniging omdat zij meer over dit ‘apparaat’ willen weten. Niet verwonderlijk, want ze zijn overal in het land te zien, er zijn verschillende typen en bovendien zit een molen ingenieus in elkaar. Hieronder wordt een aantal van de meest gestelde vragen over molens beantwoord.

Staat uw vraag er niet tussen? Neem dan gerust contact met ons op.

In de eerste plaats zijn er windmolens: wiekendragers aangedreven door de wind. Daarnaast kennen we watermolens, met een waterrad of turbine, die door stromend water van een beek gaan draaien. Deze twee soorten molens onderscheiden we naar het werk dat ze doen. Korenmolens vormen de grootste groep molens, wind- en watermolens waar graan tot meel wordt gemalen. Een andere, belangrijke groep vormen de poldermolens, die gebruikt worden voor de waterbeheersing. En dan zijn er nog houtzaagmolens, oliemolens, pelmolens en (heel bijzonder) papiermolens. Nederland telt één molen die zowel door wind als door water kan worden aangedreven, een zogenaamde watervluchtmolen. Het is de Kilsdonkse Molen en deze staat in het Noord-Brabantse Beugt, nabij Heeswijk-Dinther.

Molens kun je ook naar de vorm indelen. Bij De Hollandsche Molen is een folder beschikbaar van deze molentypen.

Om precies te zijn: 1.048 windmolens en 108 watermolens. Worden ook de kleinere windmolens (tjaskers en weidemolens) en Amerikaanse windmotoren meegerekend dan zijn het er ruim 1200. Zuid-Holland is de grootste molenprovincie (228 windmolens), Utrecht de kleinste (33 exemplaren). De meeste door water aangedreven molens vinden we uiteraard in onze meest geaccidenteerde provincie, Limburg (56).

Zo’n honderd jaar geleden waren er nog ruim 10.000 molens volop in bedrijf. Ze maalden graan, zaagden hout, sloegen olie uit zaden en maakten papier. En poldermolens hielden het waterpeil in ons lage land onder controle. Vele duizenden molens hebben de vooruitgang niet overleefd.

Niet vanwege het aantal; er zijn landen in Europa waar veel meer molens staan. Nederland is echter het molenland bij uitstek omdat de molen symbool staat voor onze strijd tegen het water. Poldermolens werden vanaf de vijftiende eeuw in het westen en noorden van Nederland gebouwd, toen bleek dat het waterpeil in onze polders niet door natuurlijke lozingen gehandhaafd kon blijven. En molens werden later ingezet om binnenmeren droog te malen (bv. de Schermer).

De molen als symbool van onze strijd tegen het water trekt nog steeds honderdduizenden buitenlanders naar Nederland. De molen is met de tulp en de klomp het ‘landmark’ van ons land.

De energiebron, de wind, drijft het wiekenkruis aan. De twee molenroeden (met elk twee wieken) zijn bevestigd in de bovenas van de molen. Om deze as is een wiel aangebracht, het bovenwiel, dat met de as meedraait en de beweging overbrengt op de koningsspil. Deze lange, verticale balk drijft bij een korenmolen de maalstenen aan, of bij een poldermolen het scheprad of de vijzel, waardoor het water opgepompt wordt.

De molenaar kan door de molenzeilen geheel of gedeeltelijk voor te leggen, de snelheid beïnvloeden. Een optimale windvang bereikt hij door de molen te kruien (op de wind te zetten). Dit wordt meestal van buiten gedaan met een kruirad. Remmen kan de molenaar door blokken om het bovenwiel aan te trekken. Dit gebeurt vanaf de grond of vanaf de omloop van de molen (stelling) met behulp van een touw en wordt ‘de molen vangen’ genoemd.

Een eenvoudig boekje over de verschillende molentypen in Nederland en de werking van een koren- en poldermolen is in de webwinkel van de vereniging  te verkrijgen.

De twee oudste molens van Nederland staan in het Gelderland: de Buitenmolen in Zevenaar en De Grafelijke Korenmolen in Zeddam. Beide molens dateren van 1450 of iets daarvoor. Welke molen nu exact de oudste is, is onbekend. Opvallend is dat het allebei torenmolens zijn: met een stenen cilindrische romp en een kap met gevlucht die draaien kan. Dit type molen is mogelijk door invloed van de kruisvaarders, die dergelijke molens tegen kwamen in landen rondom de Middellandse Zee, ook in Nederland ontwikkeld. Er zijn er nog vier overgebleven in ons land.

Molen De Noord in Schiedam is de hoogste molen (ter wereld zelfs!). Het puntje van de bovenste wiek meet 44,8 meter en dat is één decimeter meer dan nummer 2, molen De Vrijheid, eveneens in Schiedam. De overige drie Schiedamse molens mogen er overigens ook zijn, want met 43,5, 43,4 en 42,5 meter komen De Palmboom, De Walvisch en De Drie Koornbloemen op plaats 5 tot en met 7 van de ranglijst.

Om de grootste molen te bepalen meten we de lengte van ‘de vlucht’: van het ene uiteinde van de wiek naar het uiteinde van de tegenovergelegen wiek. De molen met de grootste vlucht is Molen nr. 2 van de Overwaard in Kinderdijk, onderdeel van het befaamde molencomplex. De vlucht meet hier 29,56 meter.

Van oudsher heeft de molenaar mededelingen gedaan of wensen te kennen gegeven door middel van de stand van de wieken. Dat was voor de hand liggend, want tot in verre omtrek waren de wieken zichtbaar.

De stand ‘overhek’ of ‘overkruis’ was de ruststand. De wieken stonden zo laag mogelijk en liepen daardoor de minste kans op blikseminslag. Tegenwoordig is deze ruststand niet meer nodig, vanwege het gebruik van een bliksemafleider. Stond de molen voor korte tijd stil, dan werden de wieken horizontaal en verticaal gezet of wel ‘met één roede voor de borst’, zodat het werk zo vlug mogelijk hervat kon worden.

Vreugde in het gezin van de molenaar (huwelijk, geboorte, etc.) wordt ook nu nog aangegeven met de vreugdestand. Deze stand wordt verkregen door de onderste ‘aankomende’ wiek vlak voor het laagste punt op te vangen en vast te zetten. In het ‘aankomende’ zit de vreugde, de verwachting.

Rouw werd aangegeven met de rouwstand. De onderste ‘gaande’ wiek wordt daartoe vlak na het laagste punt vastgezet. Het ‘gaande’ drukt hierbij het vergankelijke, de droefheid uit.
Ten slotte de molen in ‘feesttooi’. Bij bijzonder feestelijke gebeurtenissen worden tussen de ‘overkruis’ gezette wieken in verticale richting draden gespannen waaraan allerlei ‘mooimakersgoed’ wordt gehangen.

Let op: in delen van Noord-Brabant, Limburg en Gelderland wijkt de betekenis van een aantal wiekstanden af van de hierboven vermelde.

Door een opleiding te volgen. Het Gilde van Vrijwillige Molenaars verzorgt, verspreid door het hele land deze cursus, die in de regel twee jaar duurt. Deze opleiding is erop gericht dat vrijwillige molenaars op een verantwoorde wijze met molens draaien. Een molen heeft niet alleen als monument een grote (financiële) waarde. Daarom wordt tijdens de opleiding veel aandacht besteed aan het opdoen van praktijkervaring op verschillende molens en onder verschillende (weers)-omstandigheden. De praktijk wordt door middel van theorielessen op de molen en op speciaal georganiseerde avonden ondersteund.

De opleiding wordt afgesloten met een examen, afgenomen door De Hollandsche Molen. Naast een opleiding tot windmolenaar bestaat ook een opleiding tot watermolenaar. Meer informatie is te vinden op de site van Het Gilde van Vrijwillige Molenaars: www.vrijwilligenmolenaars.nl.

Alleen poldermolens kunnen geschikt zijn voor bewoning. Een aantal daarvan valt af omdat de woonruimte naar de hedendaagse maatstaven ongeschikt is. Een kleine 150 molens zijn bewoond. In veel gevallen door de molenaar. Eigenaren kiezen daar bewust voor: molenaars laten niet alleen de molen zoveel mogelijk draaien en malen, maar zorgen ook voor klein onderhoud. En aan een molen die regelmatig draait en goed onderhouden wordt, ben je veel minder geld kwijt, dan aan een stilstaande molen, ook al is deze voorzien van een riante woning. Dat laatste komt weinig voor: molens zijn zoals gezegd monumenten, werktuigen en je mag daarom ook aan het binnenwerk niets veranderen. Bij een bezoek aan een molen zult u dan ook meestal een authentiek interieur aantreffen.

Molens draaien tegen de klok in, althans als je er voor staat. Waarom? Dat weten we niet precies. Waarschijnlijk heeft het met de oorsprong van de molen te maken. Toen men voor het eerst graan ging malen, gebeurde dat door met de hand de ene molensteen over de andere te draaien. Omdat de meeste mensen rechtshandig zijn, draaide bij deze handmolen de bovenste steen (de loper) altijd linksom. Windmolens vinden hun oorsprong in de handmolens. En als de loper linksom draait, moet het wiekenkruis dat ook doen.

Maar er zijn ook andere verklaringen. De simpelste: molens draaien linksom als je ervoor staat. De molenaar staat echter meestal aan de achterkant van de molen en voor hem draaien de wieken dus met de klok mee. Overigens komen in het buitenland wel molens voor die rechtsom draaien.

Ja, meer dan 90 procent is beschermd als rijksmonument. Velen denken dan: de overheid zorgt er verder wel voor, we hoeven er niet naar om te kijken. Maar dát is niet het geval. De overheid geeft wel subsidies, maar het zijn primair de moleneigenaren die verantwoordelijk zijn.

Het in stand houden van molens lijkt vanzelfsprekend, maar er komt heel wat bij kijken om deze monumenten te behouden. Molens trotseren dag in dag uit weer en wind en zijn daardoor kwetsbaar. Gerestaureerde exemplaren hebben regelmatig onderhoud nodig om kostbare opknapbeurten in de toekomst te voorkomen. Restauraties en onderhoud kosten geld. Weliswaar wordt dit voor een groot deel met overheidssubsidies bekostigd, maar toch blijven moleneigenaren met een financieel gat zitten. Steun van het bedrijfsleven, molenorganisaties én van u is dan ook van groot belang.

In de eerste plaats door ervoor te zorgen dat er voldoende (overheids?)geld is voor restauratie en onderhoud. Helaas is dat er niet en eigenaren moeten dus inventief op zoek naar financiële middelen.

Molenbehoud is echter niet alleen een kwestie van geld. Er zijn ook mensen nodig die liefde voor de molen hebben. Molenaars die op vrijwillige basis de molens laten draaien en malen zijn voor het voortbestaan van dit bijzondere werktuig in Nederland onmisbaar. Dat zijn de mensen die vaak ook het zo belangrijke klein onderhoud plegen waardoor de molen langer in goede staat blijft.

Daarnaast zijn er vele andere vrijwilligers, zoals molengidsen, klusjesmannen en -vrouwen, en niet te vergeten  bestuursleden van de vele stichtingen nodig om het molenbehoud draaiende te houden.

Verder hebben wieken ruimte en wind nodig om rond te gaan en een waterrad het stromende water van een beek! In ons kleine land worden deze ‘molenverlangens’ meer dan eens gedwarsboomd. Bomen en gebouwen zorgen er soms voor dat molens de wind uit de zeilen wordt genomen. En door wateronttrekking vallen molenbeken nogal eens droog. Een botsing van verschillende belangen, waarbij molens te vaak het onderspit delven.

Jazeker! De meeste molens in Nederland worden door vrijwillig molenaars in werking gesteld. Hierdoor zijn de molens helaas beperkt voor bezoek geopend. Op deze site vindt u onder de knop ‘Ontdek de molens/Zoek een molen’ de gegevens over alle 1200 Nederlandse molens, waaronder ook de openingstijden.

Als de molenaar aan of bij de molen de blauwe wimpel heeft uitgehangen, kunt u de molen bezoeken.